Categories opinie & debat

Over moed en Pippi Langkous

Van de week vertelde een collega dat hij voor zich zelf gaat beginnen. Hij wil niet langer afhankelijk zijn van anderen, dus ook niet van mij. Dat tekent de ondernemer, hier is sprake van ondernemerschap. Ik complimenteerde hem met zijn moed.

Moed, er iets geks aan de hand met dat woord. Eigenlijk nooit refereert moed aan iets dappers als je het woord samenstelt. Deze woorden en uitdrukkingen gebruiken het woord moed veel eerder als een innerlijke duiding. Wat te denken van deemoed, weemoed of goedmoedig. Om nog maar te zwijgen van het ‘droef te moede’ zijn. Allemaal woorden die in geen velden of wegen stoer of flink klinken. Een oud collega schreef daar een leuk boekje over. Zij beschrijft de dappere variant. De auteur, Pauline Hoogweg, gebruikt het woord zoals het in het dagelijks verkeer is gaan domineren. Waarschijnlijk is om die reden het woord gemoed ontstaan voor de zachtere variant. Een minstens zo mooi en belangrijk woord. In mijn beleving is moed alleen goed vorm te geven en vol te houden met een sterk ontwikkeld gemoed. Het werkwoord weten is op een soortgelijke wijze geconfisqueerd en heeft zich later met het woord geweten aan waarde weten te winnen. Weten heeft ook alleen maar echt waarde mét geweten. Met name in de financiële sector is dit nodeloos ontspoort.

Plaats je het in de rij der kardinale deugden, dan is moed het tegendeel van luiheid, zwakheid, maar ook lafheid. Het verschil tussen lef en laf is maar één letter verschil, maar tegelijkertijd huist het een hele wereld aan verschillen in zich.

De bewondering voor mijn collega is de moed en de stap die gezet wordt. Net zoals een boek schrijven over moed een felicitatie waard is. Ondernemen vraagt moed. Mijn grote idool als leider en managementgoeroe is Pippi Langkous. Ik ben geboren in de jaren zestig, opgegroeid in de jaren zeventig en gevormd in de jaren tachtig. In de jaren negentig was ik succesvol en verdiende ik het geld voor de rest van mijn leven. Het decennium daarop investeerde ik het allemaal en de teller stond daarna weer nagenoeg op nul. Kortom, ik ben nu bijna vijf decennia verder en moet het doen met de kennis er ervaring die ik meekreeg, en met vallen en opstaan verder opdeed. Dat is mooi.

Als kind heb ik de avonturier Swiebertje van dichtbij meegekregen en dus ook de postmoderne filosofie van Pippi Langkous. Mijn toekomst kon met deze twee iconen louter fantastisch worden. Zij wezen mij de weg door het leven. Vrijheid, fantasie, initiatief en een vrolijk soort anarchisme kreeg ik op die manier mee. Natuurlijk hebben de naoorlogse babyboomers in twee drie decennia er alles aan gedaan om ook mij zo te plooien zoals het hoort. Onderwijzers, jeugdwerkers, docenten, werkgevers, bestuurders maakten zich daar schuldig aan.

Maar ook bij mij kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Optisch deed ik net alsof, maar van binnen blijf ik zoeken naar ideeën en fantaseren hoe het beter en leuker kan. Dat is mijn moed. Mijn ondernemers, c.q. managementcredo komt nog altijd van die kleine wijsneus met twee vlechten en haar rode sproeten. Als er dan niemand meer gelooft wat je zegt, houdt een prachtig zinnetje van Pippi aan haar vriendjes Tommy en Annika mij op de been:

“Soms zeg je zulke slimme dingen, dat ik bang ben dat je het nog ver zult brengen.” 

De column “Over Moed en Pippi Langkous” verscheen in Trouw op vrijdag 5 oktober 2012.

Share